Gastblog van: Marthe Hoofwijk

In het kader van mijn masterthesis psychologie heb ik meegewerkt aan een promotieonderzoek bij vluchtelingen en asielzoekers. In dit grote onderzoek werd bekeken welke soort behandeling het beste werkte bij traumaverwerking in deze groep mensen. Ikzelf onderzocht, in dezelfde onderzoeksgroep, of het binnen één van deze behandelingen nog uitmaakte of er wel of geen gebruik werd gemaakt van een tolk.

Verwachtingen

Mijn verwachting was dat de behandeluitkomst beter zou zijn wanneer er géén tolk werd ingezet. Met andere woorden, ik verwachtte dat het beter zou gaan na de behandeling met de mensen die geen tolk hadden gebruikt in vergelijking met de mensen die wél een tolk hadden gebruikt. Dit klinkt misschien als een vreemde verwachting, want een tolk zou juist moeten helpen, toch? Mijn redenering was als volgt: Een psychologische behandeling voor trauma (maar voor elke andere klacht trouwens ook) staat of valt bij de behandelrelatie tussen behandelaar en patiënt. Deze relatie moet langzaam worden opgebouwd en vraagt tijd om te groeien.

Vertrouwen

Vertrouwen is hierin de belangrijkste factor. Doordat vluchtelingen en asielzoekers vaak al zoveel nare dingen hebben meegemaakt, is hun vertrouwen in de medemens behoorlijk beschadigd. Wil een therapeut het vertrouwen kunnen winnen, dan zal hij of zij daarin moeten investeren. Wanneer een tolk aanwezig is, is het moeilijker om deze relatie op te bouwen omdat er een extra persoon bij de gesprekken zit. De patiënt moet dan niet alleen vertrouwen hebben in de therapeut, maar ook in de tolk! Deze hoort namelijk ook alle verhalen die de patiënt tegen de therapeut vertelt.

Omdat iedereen in deze studie hetzelfde aantal sessies kreeg, is het logisch te bedenken dat er méér sessies besteed zijn aan het opbouwen van de therapeutische relatie wanneer er een tolk aanwezig was bij patiënten die dit nodig hadden. Er bleven hierdoor minder sessies over voor de daadwerkelijke behandeling, en om daarom verwachtte ik een minder goede behandeluitkomst bij deze groep. Een andere reden waarom ik dit verwachtte was dat, hoe goed tolken ook getraind zijn, er altijd een gedeelte van de informatie die overgebracht moet worden “lost in translation” zal raken. Sommige woorden  of uitdrukkingen zijn niet letterlijk te vertalen, de tolk moet er dan voor kiezen om een vertaling te gebruiken die zo dicht mogelijk bij het origineel ligt. Ook dit zou ervoor kunnen zorgen dat de behandeling minder goed aanslaat. Psychologische behandeling is namelijk bij uitstek een praatbehandeling, en als dat praten juist hetgeen is wat moeilijk is... Deze verwachting vond ik niet terug in mijn onderzoek. Wat ik wel vond was dat beide groepen, ongeacht of ze een tolk gebruikt hadden of niet, een vermindering in klachten rapporteerde na de behandeling.

Tolk inzetten bij behandeling?

Het wel of niet inzetten van een tolk maakte geen verschil op hoe effectief de behandeling was geweest voor deze vluchtelingen en asielzoekers. Het begrijpen en inspelen op de complexe problematiek bij vluchtelingen en asielzoekers lijkt belangrijker te zijn dan de vraag of zijn als patiënt hun therapeut taalkundig kunnen verstaan. 

Op zich is dat natuurlijk heel goed nieuws, zowel voor de behandelaars, als voor de patiënten, als voor de tolken. De tolken hadden blijkbaar zulk goed werk geleverd dat het voor de behandeluitkomst geen verschil maakte tussen de groepen. Er werden wel kleine verschillen tussen de groepen gevonden: zo rapporteerden de mensen in de groep die wél een tolk had gebruikt voor de behandeling meer klachten dan de andere groep, en na de behandeling minder. De daling in zelfgerapporteerde klachten was dus veel sterker dan in de andere groep. Hiervoor zijn verschillende verklaringen te bedenken: het kan zijn dat de groep die een tolk nodig had zijn klachten wat extra had aangedikt voordat de behandeling begon, omdat ze misschien bang waren dat de ernst van hun situatie anders niet overkwam. Ook kan het natuurlijk zo zijn dat de behandeling bij deze groep een sterker effect had. Jammer genoeg was dat aan de hand van mijn onderzoeksdata niet te achterhalen.

Stresfactoren

Wat we wel weten is dat vluchtelingen en asielzoekers ontzettend veel bijkomende stressfactoren in hun leven hebben: werkloosheid, onderdak en het wel of niet krijgen van een verblijfsvergunning zijn er maar een paar van. Daarnaast was de onderzochte groep maar heel klein (36 personen), dus of deze representatief is geweest weten we ook niet. Deze twee redenen, onder andere, zijn waarschuwingen bij het interpreteren van mijn onderzoek: de resultaten kunnen hierdoor sterk beïnvloed zijn. Aan de hand van deze steekproef lijkt echter aan te raden bij deze doelgroep een tolk in te zetten wanneer de taalbarrière dusdanig groot is dat soepele communicatie onmogelijk is. Vervolgonderzoek met een grotere groep en willicht nog een specifiekere groep participanten zou nog meer inzicht kunnen geven over het inzetten van een tolk en de invloed op behandelresultaten.

Marthe Hoofwijk
 
Marthe is in 2012 afgestudeerd als klinisch- en gezondheidspsycholoog aan de Universiteit Utrecht. Momenteel doet zij een tweede studie (Culturele Antropologie), waarvoor zij in 2014 haar mastertitel hoopt te behalen. Marthe heeft gewerkt in de verslavingszorg en deed haar afstudeeronderzoek bij Stichting Centrum '45. Momenteel werkt zij bij PDC Politiepoli en doet zij diagnostiek bij getraumatiseerde politieagenten. Ook werkt zij als (vrijwillig) psycholoog in de vluchtflat op de Jan Tooropstraat in Amsterdam.